De
beagle behoort tot één van de kleinste in meute jagende honden.
Het is een zelfverzekerde, zeer levenslustige hond, die het spoor van
wild, voornamelijk hazen en konijnen, volgt en daarom een sterke, kompakte
lichaamsbouw met goede hoekingen heeft.
De beagle heeft een ruime gang, is erg snel en heeft veel uithoudingsvermogen.
De benen zijn sterk en gesloten. Het
hoofd is typisch vanwege zijn uitgesproken stop en licht gewelfde schedel.
De uitdrukking is zacht en vriendelijk.
De oren moeten tot aan de neuspunt van de stompe voorsnuit reiken.
Toch mag het hoofd geen grove indruk maken.
De staart met een witte punt, wordt vrolijk en hoog gedragen en het goede
humeur behoort tot de raskenmerken. De
beagles zijn meestal driekleurig, waarbij alle houndkleuren zijn toegestaan.
Ook de tweekleurige, tan and white, ziet men meer en meer.
De
hond is tussen de 33 en 41 cm hoog met een gewicht van 10-15 kg, afhankelijk van
de grootte.
De geschiedenis
De oorsprong van de beagle ligt niet in Engeland of Amerika, maar vermoedelijk in Griekenland, waar in 433 v. Chr. De Griekse schrijver Xenophon al schrijft over kleine honden met lange oren, die met de neus jagen op hazen en konijnen en daarbij luid geven. Deze honden belandden in Italďe om zo met de Romeinen naar Engeland te worden meegenomen. Hier vonden weer kruisingen plaats met daar reeds bestaande type van met de neus jagende kleine honden.
Veel later zal ook de Franse Talbot hound aan de wieg van de beagle hebben gestaan. Koning Edward III van Engeland jaagde in de honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland met een pack van 60 koppels hazehondjes in de Engelse rijksdelen in Frankrijk. Deze hazehondjes waren van het beagle type. Ongetwijfeld hebben toen ook kruisingen plaatsgevonden met Franse honden. Pas in 1745 werd de naam ‘Beagle’ voor het eerst in de Engelse literatuur aangetroffen.
Het is bekend dat de Engelse vorsten en hun hofhouding door de generaties heen zeer gefascineerd zijn geweest van de jacht achter de meute Beagle. Zij hadden hun eigen packs en op diverse schilderijen uit die tijd werd dat afgebeeld.
‘Merry
little hounds’ zo stonden deze hondjes toen in Engeland bekend.
Rond 1500 werden de Beagles daar al veelvuldig als jachthond
gebruikt-eigenlijk jachthondje, want de Beagles waren toen niet zo groot.
Er werden in meutes op haas en konijn gejaagd.
Wordt tegenwoordig de meute Beagles te voet gevolgd, toen ging men te
paard naar het jachtgebied naar huis te worden teruggebracht.
Koningin Elisabeth van Engeland (1533-1603) had een meute waarmee zij
regelmatig jaagde. Deze hondjes
hadden een schofthoogte tussen de 20 en 25cm.
Deze zo kleine hondjes werden ook wel ‘Elisabeth Beagles’ of ‘
Pocket Beagels’ genoemd. Deze komen nog maar heel zelden voor en wel als
toevalstreffers. Er bestaan zeker
geen lijnen, die generatie na generatie zulke heel kleine honden zullen geven.
Wel zijn in Amerika de
Beagle over het algemeen kleiner dan in Europa, maar dit komt later nog ter
sprake. Eind 1800 werden er voor
het eerst twee beagles vanuit Engeland naar Amerika geëxporteerd.
Er waren toen al Beagles in Amerika, maar deze twee honden en de volgende
importen hebben daar veel mooie afstammelingen gegeven: prachtige showhonden en
prima voor de jacht. Begin 1900
stond de Amerikaanse Beagle op een zeer hoog peil en in 1950 werden er voor het
eerst Beagles uit de USA in Engeland geîmporteerd.
En nu is er een regelmaat van importeren en exporteren van en naar alle
landen in de wereld.

Algemene
kenmerken:
compacte
gebouwde lopende hond, zonder grofheid, de indruk wekken van veel
uithoudingsvermogen en bedrijvigheid.
Maat:
gewenste
schofthoogte 33-41cm.
Hoofd:
Tamelijk
lang, krachtig zonder grof te zijn: de schedel gewelfd, matig breed, met een
zeer lichte achterhoofdsknobbel, de stop goed duidelijk, de snuit niet spits en
de mond hoeken goed duidelijk. Neus zwart (maar iets minder pigmentatie bij
lichter gekleurde honden is toegestaan) met goed geopende neusgaten.
Ogen:
Bruin,
hazelnootkleurig, noch diepliggend, noch uitpuilend en een zeer zachtaardige
uitdrukking.
Oren:
Lang,
laag aangezet, fijn en in een sierlijke vouw dicht tegen de wand hangend.
Hals:
Matig
lang, licht gewelfd, met enig keelhuid.
Lichaam:
Kort
in lendenen, diepe borst, tamelijk goed gewelfde en ver naar achteren
doorlopende ribben. Lendenen
krachtig en niet opgetrokken.
Staart:
Matig
lang, hoog aangezet en vrolijk, doch niet over de rug gedragen.
Staart punt altijd wit.
Voorhand:
Schouders
droog en iets schuin. Voorbenen
geheel recht, goed onder de hond geplaatst, stevig en met rond bot.
Achterhand:
Zeer
gespierd bij de dijen: sprongen laag en goed gebogen.
Voeten:
Rond,
met goed gebogen tenen en met sterke voetzolen.
Beharing:
Kleur:
Iedere
erkende lopende hondekleur.